KLACHTENCOMMISSIE, uitspraak d.d. 13 februari 2026 inzake klacht 25-07
Ingekomen stukken
De Klachtencommissie heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
– Klachtformulier van klager, d.d. 19 november 2025
– Verweer van de tolk, d.d. 24 november 2025
– Reactie van klager op het verweer van de tolk, d.d. 25 november 2025
– Aanvullende reactie van de tolk, d.d. 26 november 2025
– Nadere reactie van de tolk, d.d. 6 januari 2026
Feiten
Als niet of onvoldoende betwist, staat het volgende vast:
- Op 9 juli 2024 is verweerder als tolk Nederlandse Gebarentaal ingezet tijdens een politieverhoor bij de politie. Klager heeft deze inzet achteraf als onprofessioneel ervaren en stelt dat de houding van de tolk tijdens het verhoor afstandelijk en onvoldoende ondersteunend was. Vaststaat dat hierover destijds geen formele bespreking heeft plaatsgevonden tussen klager en verweerder.
- Op 18 november 2025 heeft klager verweerder via WhatsApp benaderd met het verzoek het voorval te bespreken en nadere toelichting te geven op het handelen tijdens het verhoor. Verweerder heeft daarop aangegeven dat deze “niks goed zal maken” en heeft geweigerd inhoudelijk in te gaan op het verzoek, waarbij deze zich onder meer heeft beroepen op zijn geheimhoudingsplicht. Op 19 november 2025 heeft klager een klacht ingediend bij de Klachtencommissie.
Klacht(en) en verweer
- Onprofessioneel gedrag tijdens het politieverhoor van 9 juli 2024: klager stelt dat verweerder zich tijdens het politieverhoor afstandelijk, onaardig en onvoldoende ondersteunend heeft opgesteld, waardoor deze zich onveilig en niet adequaat vertegenwoordigd voelde in een juridisch kwetsbare situatie. Verweerder stelt dat de klacht, voor zover deze ziet op het politieverhoor, buiten de vervaltermijn is ingediend. Voorts betwist verweerder dat sprake was van onprofessioneel handelen en voert aan dat klager zijn verwijten niet concreet heeft onderbouwd, dat geen specifieke gedragingen of geschonden normen zijn benoemd en dat een louter subjectieve beleving onvoldoende is om een schending van de professionele standaard aan te nemen.
- Weigering tot gesprek en herstel op 18 november 2025: klager stelt dat verweerder op 18 november 2025 expliciet heeft geweigerd het gesprek aan te gaan over zijn professionele handelen en daarbij heeft aangegeven dat deze “niks goed zal maken”, hetgeen volgens klager getuigt van een gebrek aan professionele verantwoordelijkheid, respect en zelfreflectie. Verweerder stelt dat deze communicatie onlosmakelijk is verbonden met de tolkopdracht van 9 juli 2024 en daarom eveneens buiten de vervaltermijn valt. Voorts stelt verweerder dat zijn reactie geen gebrek aan professionaliteit oplevert, maar een gerechtvaardigde afwijzing van een ongegrond verwijt, mede gelet op zijn geheimhoudingsplicht en het ontbreken van concreet nadeel voor klager.
Ontvankelijkheid van de klacht
De Klachtencommissie acht klager ontvankelijk in de klacht voor zover deze betrekking heeft op de communicatie en houding van verweerder op 18 november 2025. Voor zover de klacht ziet op het handelen van verweerder tijdens het politieverhoor van 9 juli 2024, is klager niet-ontvankelijk, zoals hierna nader wordt overwogen.
Overwegingen
Klachtonderdeel 1: onprofessioneel gedrag tijdens het politieverhoor van 9 juli 2024
Klager stelt dat verweerder zich tijdens het politieverhoor van 9 juli 2024 afstandelijk, onaardig en onvoldoende ondersteunend heeft opgesteld, waardoor klager zich onveilig en niet adequaat vertegenwoordigd voelde in een juridisch kwetsbare situatie. Verweerder heeft primair aangevoerd dat de klacht, voor zover deze ziet op dit politieverhoor, buiten de vervaltermijn is ingediend en reeds daarom niet-ontvankelijk is.
De Klachtencommissie stelt vast dat de klacht is ingediend op 19 november 2025, terwijl het gestelde handelen heeft plaatsgevonden op 9 juli 2024. Op grond van artikel 4 lid 7 van het Reglement Klachtencommissie geldt een vervaltermijn van één jaar na de gebeurtenis waarop de klacht betrekking heeft. Deze termijn was ten tijde van het indienen van de klacht ruimschoots verstreken.
De Klachtencommissie stelt voorts vast dat door klager geen zeer bijzondere omstandigheden zijn gesteld of aannemelijk geworden op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat hen ter zake van de termijnoverschrijding geen verwijt treft. De enkele stelling dat klager tijd nodig had voor verwerking is daarvoor onvoldoende.
Gelet hierop is de klacht, voor zover deze ziet op het handelen van verweerder tijdens het politieverhoor van 9 juli 2024, niet-ontvankelijk. De Klachtencommissie komt derhalve niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van dit klachtonderdeel.
Klachtonderdeel 2: weigering tot gesprek en herstel op 18 november 2025
Klager klaagt in dit klachtonderdeel over het handelen van verweerder op 18 november 2025, bestaande uit het weigeren om in gesprek te gaan over het optreden van verweerder tijdens het politieverhoor van 9 juli 2024 en het mededelen dat deze “niks goed zal maken”. Deze gedragingen hebben zich voorgedaan binnen één jaar voorafgaand aan het indienen van de klacht. Gelet op artikel 4 lid 7 van het Reglement Klachtencommissie is dit klachtonderdeel derhalve tijdig ingediend en ontvankelijk.
De Klachtencommissie stelt vervolgens vast dat uit de Beroepscode Tolken Nederlandse Gebarentaal (NBTG) niet volgt dat een tolk gehouden is om na afloop van een tolkopdracht in gesprek te gaan met een tolkgebruiker over vermeend onprofessioneel handelen. Indien een tolk van oordeel is dat deze zich professioneel heeft gedragen en geen normschending heeft plaatsgevonden, mag deze volstaan met het ontkennen van de gestelde verwijten en is deze niet verplicht tot nadere toelichting, reflectie of herstel buiten de formele klachtenprocedure om.
De Klachtencommissie stelt vast dat klager niet concreet heeft gesteld welke norm uit de Beroepscode Tolken Nederlandse Gebarentaal door verweerder zou zijn geschonden door het niet aangaan van het gesprek. Evenmin is aannemelijk geworden dat verweerder door zijn handelswijze in strijd heeft gehandeld met de normen inzake professionaliteit, integriteit of zorgvuldigheid. Dat klager de reactie van verweerder als onbevredigend of onprettig heeft ervaren, maakt dit niet anders.
Nu geen sprake is van een schending van een norm uit de Beroepscode Tolken Nederlandse Gebarentaal en van enig klachtwaardig handelen niet is gebleken, acht de Klachtencommissie dit klachtonderdeel ongegrond.
Uitspraak
De Klachtencommissie verklaart klachtonderdeel 1, voor zover betrekking hebbend op het handelen van verweerder tijdens het politieverhoor van 9 juli 2024, niet-ontvankelijk en klachtonderdeel 2, voor zover betrekking hebbend op de communicatie en houding van verweerder op 18 november 2025, ongegrond.
13 februari 2026
mr. drs. J. el Hannouche
Voorzitter Klachtencommissie